Mus en Vink
Diep genoeg voor wie zestig jaar naar strijkkwartetten luistert. Onderhoudend genoeg voor een kind van zes.
Niet door te schipperen tussen die twee, maar doordat ze verschillende lagen van hetzelfde horen.
De cantus firmus verandert nooit. Mus zorgt daarvoor. Alles eromheen verandert wel. De bolder is dezelfde. De vogels niet. Of toch wel — maar anders. de verteller, in De Haven
De vier vogels
Mus
Klein, dichtbij, druk. Mus pikte in de bevroren tik en zette hem in beweging.
Mus draagt het ritme. altviool
Vink
Vink hoorde wat Mus had losgemaakt en zong erbovenuit. Vink kon niet anders.
Vink draagt de melodie. eerste viool
Uil
Uil luisterde langer dan iemand anders. Uil maakte de stilte tussen de noten.
Uil draagt de stilte. cello
Koekoek
Koekoek herhaalde, net iets anders elke keer. Herhaling is geen kopie.
Koekoek draagt de vorm. tweede viool
Vier vogels. Vier dragers.
Geen van hen is belangrijker dan de andere. Geen van hen werkt zonder de andere drie.
En de kraai? De kraai loopt mee. Hij maakt geen muziek. Hij onthoudt haar.
Eén regel
Niemand wordt gecorrigeerd zonder getroost te worden.
Er is geen schurk. De crisis komt van verandering, niet van boosaardigheid. Koekoek heeft het mis en wordt niet uitgelachen. Elk sprookje eindigt in een nieuw evenwicht, niet in het oude.
«Jij bent lief. Wees wie je voelt.» — Mus, aan het eind van De Haven