mus en vink

1Wat de haven brengt

maandag · nieuwe maan · de toren, de haven, de toren · lijn: queeste

1 Evenwicht

Het was maandag en de vogels zaten op de verkeerde kant van de stad.

Dat kwam zo. De zondag was voorbij geweest voordat er genoeg zondag was geweest, en in de nacht had de wind gedraaid. Toen ze wakker werden zaten ze niet onder de kerk maar op de rand van de toren, de hoge, de losse, die aan de andere kant staat en nergens bij hoort. Niemand wist hoe ze daar gekomen waren. Niemand vroeg het.

Mus zat het hoogst. Ze keek naar het oosten, waar de kerk stond, en het plein, en daarachter het park, en daarachter het water. Van hieruit zag je alles op een rij. Dat was mooi. Maar het was maandag, en op maandag is mooi ook een beetje mors.

«Daar is alles,» zei Mus. «En wij zitten hier.»

2 Breuk

Koekoek stond op, zette zijn borst op en ging weer zitten.

«Ik had iets,» zei hij. «Gisteren. Iets gewichtigs. Ik had het in het park bedacht, in rondjes, en het was af.» Hij keek in zijn veren alsof het daar kon zitten. «En nu is het weg.»

«Wat was het?» vroeg Vink.

«Als ik dat wist, was het er nog,» zei Koekoek.

Uil deed zijn ogen open. Hij had geluisterd met zijn ogen dicht, zoals hij doet. Hij zei niets. Dat was het ergste, vond Koekoek. Als Uil niets zegt, is er iets aan de hand.

3 Vertrek

«Dan gaan we het halen,» zei Vink, en hij was al van de rand.

Zo is Vink. Hij begint. Hij was halverwege het plein voordat de anderen hun vleugels hadden uitgeschud, en hij riep van beneden dat de dag aan de haven aankwam, zoals altijd in de morgen, en dat je de dag daar het beste kon voelen aankomen, en dat als Koekoek iets kwijt was dat iets vast met de dag mee zou komen.

Dat was geen plan. Het was wel een richting. Mus ging. Uil ging. Koekoek ging als laatste, vierkant, met zijn gewichtige lege plek.

Ze vlogen de hele stad door, van de toren naar de kerk, van de kerk langs het plein, door het park naar het water. Op maandag doet niemand dat. Op maandag blijft iedereen waar hij is.

4 Drempel

Bij het water zat de oude man die er altijd zit. Hij zat op de bolder, met zijn handen op zijn knieën, en hij keek naar de plek waar de haven ophoudt en het grote water begint.

Uil ging naast hem zitten. Niet dichtbij. Op uil-afstand.

De oude man zei iets over de wind. Dat die gedraaid was. Dat je dat aan de meeuwen kon zien, en aan de kou in zijn linkerknie. Hij zei het niet tegen Uil. Hij zei het tegen het water. Uil luisterde alsof het tegen hem was.

Toen keek de oude man opzij en zag vier vogels op een rij, en hij zei: «Zo. Jullie zijn vroeg.»

Dat was de drempel. Daarna hoorden ze erbij.

5 Beproeving

De dag kwam aan. Hij kwam zoals altijd van over het water, grijs eerst, dan lichter, en je voelde hem voordat je hem zag.

Vink kon het niet. Hij kon niet wachten tot de dag er was. Hij vloog naar de poort en terug, naar de andere poort en terug, hij keek of het ging regenen en of het al opgehouden was met iets wat nog niet begonnen was.

«Zit,» zei Uil.

Vink zat. Drie tellen. Toen stond hij weer.

«Zit,» zei Uil.

Dat is wat op Vink gevraagd werd die maandag: niets doen. Hij deed het. Het was het moeilijkste wat hij ooit had gedaan. Hij zat naast Mus en Mus zat naast hem en ze zeiden niets. Dat was genoeg, maar het duurde lang.

6 Crisis

Toen vond Koekoek een augurk.

Hij lag in de goot bij het huisje van de oude mannen, een augurk van donderdag, een die de markt was vergeten. Koekoek at hem op. Helemaal. Hij was groot en zuur en oud, en Koekoek wist nog voordat hij klaar was dat het niet goed was, en hij at hem toch op, want hij was begonnen.

Daarna zat hij heel stil. Hij werd een beetje groen aan de randen. Hij zei: «Ik heb het niet gevonden. Mijn gewichtige ding. En nu heb ik dit.»

Mus ging naast hem zitten. Ze zei niets over de augurk. Ze zei: «Je hebt wel de hele stad gezien. Op een maandag.»

Koekoek knikte, langzaam, om niet misselijker te worden.

7 Doorbraak

De dag was er nu. Hij was gewoon een maandag. Uil keek naar het water en begon aan een beslissing. Je zag het aan hem: hij ademde in.

Mus was sneller.

«We gaan terug naar de toren,» zei ze. «Nu. Zonder iets. Dat is wat we meenemen.»

Uil had zijn mond al open. Hij deed hem dicht. Hij keek naar Mus, lang, en Mus keek niet terug, en de kraai die dit onthoudt zegt dat je op dat moment kon zien dat Uil het wist: dat Mus soms beslist, en dat hij dan niets meer te zeggen heeft. Hij vond het niet erg. Dat liet hij niet zien.

«Goed,» zei Uil.

8 Nieuw evenwicht

's Nachts zaten ze weer op de toren. Niet omdat het moest. Omdat ze daar begonnen waren.

Het was donker; de maan was nieuw en liet zich niet zien. Vink sliep al half, met zijn kop naar de kant waar het weer vandaan komt. Koekoek was niet groen meer. Mus zat het hoogst.

Uil zei, na een lange stilte: «Je had iets gewichtigs bedacht, gisteren.»

«Ja,» zei Koekoek.

«Ik heb het gehoord. Toen je het bedacht. Je zei het hardop, in het park, in rondjes.»

«Wat was het dan?»

Uil zweeg anderhalve tel. «Dat we met z'n vieren zijn,» zei hij.

Koekoek dacht na. «Ja,» zei hij. «Dat was het.» Hij ging rechtop zitten. «Dat is nog steeds zo.»

Zo eindigde de maandag. Niet waar hij begon. Op dezelfde toren, maar een dag verder, en de dag had niets gebracht behalve zichzelf, en dat was wat ze mee terug hadden genomen.

het begin · alle sprookjes · volgende