mus en vink

2Het grijze ding in de haven

dinsdag · nieuwe maan · de kerk, de haven, de kerk · lijn: monster verslaan

1 Evenwicht

Dinsdag is iedereen druk, ook de vogels. Op dinsdag doet ieder iets voor zichzelf.

Mus zat 's morgens op de kerk en keek naar het plein, dat leeg was, want het was geen donderdag. Ze had een plan voor de dag en het plan was: de kleuterschool, met Vink, en brood met zand. Dat is op dinsdag het lekkerste wat er is.

Koekoek was al naar het park voor zijn rondjes. Uil zat op de rand van het raam van de hoofdmeester en voelde zich hoofd vogelonderwijs. Vink kwam aanvliegen van het water, snel, te snel, en landde zo hard dat hij een stukje doorschoof.

«Er is iets,» zei Vink. «In de haven. Iets groots en grijs. Het eet het water.»

2 Breuk

Koekoek kwam terug uit het park. Hij had het ook gezien. Hij was er met een wijde boog omheen gevlogen en had er een gewichtig ding over bedacht, maar hij zei alleen: «Het is er.»

«Wat eet het?» vroeg Mus.

«Het water,» zei Vink. «Het ligt in de haven en het slikt het water op en het water komt niet terug.»

Dat was de breuk, zegt de kraai. Niet het ding zelf. Dat de haven, waar de dag aankomt, nu een ding had waar niemand bij durfde. Koekoek zei dat hij niet bang was. Hij zei het twee keer. Daarna zei niemand meer iets.

3 Vertrek

Vink ging. Natuurlijk ging Vink. Hij was al weg terwijl Uil nog van het raam van de hoofdmeester afkwam, en de anderen volgden hem over het plein en door het park, en toen hield het park op en begon het water.

Het grijze ding lag erin. Het was lang en plat en het had geen kop en geen staart. Het maakte een geluid als een oude man die snurkt. Aan één kant ging het water erin, en aan de andere kant kwam er bruin water uit, en in het midden draaide iets, langzaam, als een rad dat nooit stopt.

«Het is wakker,» zei Vink.

4 Drempel

Uil ging op de bolder zitten, de bolder van de oude man, die er vandaag niet was. Uil zat lang. De anderen wachtten. Dat is de afspraak: als Uil gaat zitten, wacht je.

Toen keek Uil naar het grijze ding, en naar het bruine water, en naar de plek verderop in de haven waar het water nu dieper was dan gisteren, en hij zei: «Het eet niet. Het graaft.»

«Wat is het verschil?» vroeg Koekoek.

Uil zei niets. Hij wist het verschil. Hij wist alleen niet hoe hij het moest zeggen.

5 Beproeving

Vink wilde dichterbij. Dat is wat op hem gevraagd werd: niet het ding verslaan, maar het ding bekijken, van dichtbij, en dat kon alleen als je stil bleef zitten op de rand ervan, en stilzitten is voor Vink het moeilijkste wat er is.

Hij ging. Hij landde op het grijze ding. Het was koud en nat en het trilde. Het rad draaide onder hem. Hij zat.

«Het is ijzer,» riep hij. «Het is helemaal van ijzer en het heeft touwen en er zit een man in met een pet.»

«Een man?» zei Mus.

«Hij drinkt koffie,» zei Vink. «Uit een beker. Hij ziet me niet eens.»

6 Crisis

Koekoek wilde dat ook. Als Vink het kon, kon hij het ook, en beter, want hij was niet bang, dat had hij gezegd.

Hij vloog naar het ding. Hij landde vierkant, zoals hij alles doet, en precies op het moment dat het rad een slag maakte, en het ijzer schokte, en Koekoek gleed. Hij gleed niet in het water. Hij gleed in het bruine, het zachte, het pas opgegraven, en daar bleef hij steken tot aan zijn buik.

Hij zei niets. Hij zei helemaal niets. Dat was het ergste.

Mus was er het eerst. Ze trok niet aan hem; dat helpt niet in modder. Ze ging naast hem zitten, op het ijzer, zo dicht als ze kon, en ze zei: «Je bent erop gekomen. Dat had je gezegd.» Toen zei ze: «Nu wachten we tot de man zijn koffie op heeft.»

7 Doorbraak

De man had zijn koffie op. Hij zag Koekoek. Hij zei iets wat op een lachje leek, maar niet onaardig, en hij deed het rad stil. Alles werd stil. De haven hield op met snurken.

Toen was het aan Uil om te beslissen wat ze deden. Uil ademde in.

Mus was sneller. «We gaan,» zei ze. «Koekoek eerst. Door het water, niet eroverheen. Modder gaat eraf in water.»

En Koekoek ging het water in, dat hij niet durfde, en de modder ging eraf, en hij kwam eruit als een natte, schone, kleinere Koekoek. Uil had niets gezegd. Hij keek naar Mus zoals hij soms naar haar kijkt, en Mus keek naar het water.

8 Nieuw evenwicht

Die avond waren ze extra moe. Dinsdagavond is dat altijd zo, maar nu was het meer.

Ze zaten op de kerk en keken naar de haven, die je van daar niet kunt zien, maar je weet waar hij is. Het grijze ding lag er nog. Het was nog net zo groot. Het was niet verslagen. Het was alleen iets geworden wat een man met een pet aanzet en uitzet, en dat is iets anders dan een monster, zonder dat het kleiner is.

«Het graaft de haven dieper,» zei Uil. «Zodat de boten kunnen komen.»

«Welke boten?» vroeg Vink.

«Die komen nog,» zei Uil.

Koekoek sliep al. Hij was nog een beetje nat. Mus zat naast hem, zodat hij niet omviel. Vink deed zijn ogen dicht met zijn kop naar het weer. Het was dinsdag geweest, en nu niet meer.

vorige · alle sprookjes · volgende