mus en vink

3De stoel in de tuin

woensdag · nieuwe maan · het park, de kerk, het park · lijn: van asse tot troon

1 Evenwicht

Woensdag is extra gewoon. Een gewone doordeweekse dag, alleen drukker in de tuinen, omdat de kinderen vrij zijn van school.

De vogels zaten 's morgens in het park, aan de kant waar de tuinen beginnen. Ze kenden de tuinen. Ze kenden de kinderen. Mus zat het hoogst, in de pruimenboom, en keek naar beneden, en beneden was dichtbij, want een pruimenboom is niet hoog.

In de derde tuin bouwden de kinderen iets. Ze sleepten met tuinstoelen. Ze stapelden ze. Het werd een berg van stoelen met bovenop één stoel, de witte, de mooie, die normaal binnen staat.

«Dat is een troon,» zei Koekoek.

2 Breuk

Het kleinste kind had een bord. Op het bord stond iets in letters en de vogels kunnen geen letters lezen, maar het kind las het hardop, voor iedereen, en het zei: voor de koning van de vogels.

Koekoek stond op.

Hij stond op zonder dat hij wist dat hij opstond. Hij zette zijn borst op. Hij was populair bij de kinderen; dat was gewoon zo; hij durfde altijd het meest. Als er een koning van de vogels moest zijn, dan was dat niet iets waar hij over hoefde na te denken.

Vink keek naar Mus. Mus keek naar de stoel. Uil deed zijn ogen dicht.

«Dat is te menselijk,» zei Mus zacht. Maar ze zei het alleen tegen Vink.

3 Vertrek

Vink wilde meedoen. Dat wil Vink altijd. Hij vloog als eerste naar de tuin, en Koekoek ging erachteraan, en zo verlieten ze het park.

Niet naar de tuin. Mus wilde niet. Ze vloog de andere kant op, naar de kerk, en Uil ging met haar mee zonder dat iemand het had gevraagd, en toen zaten ze dus met twee en twee, en dat was de hele dag zo.

Vanaf de kerk kon je de tuin net zien. Je zag de berg stoelen en de witte stoel erbovenop, en de kinderen eromheen, en iets kleins en grijs wat eromheen vloog en niet landde.

4 Drempel

«Hij durft niet,» zei Mus.

«Hij durft wel,» zei Uil. «Hij wacht.»

«Waarop?»

Uil keek naar de tuin. Hij keek naar de witte stoel. «Op iemand die zegt dat hij het is.»

Dat was het moment, zegt de kraai, dat Mus begreep wat een troon is. Een troon is niet een stoel. Een troon is een stoel waar iemand anders je op zet. Daarom kan Koekoek er niet op. Hij kan alles, behalve dat.

Vanaf de kerk zag je nu dat Vink op de rand van de witte stoel zat, alleen om te kijken hoe het was, en dat de kinderen lachten, en dat Koekoek rondjes vloog.

5 Beproeving

Vink kwam terug. Hij was buiten adem.

«Ze willen jou,» zei hij tegen Mus.

«Wie?»

«De kinderen. Het kleinste kind. Ze heeft het bord omgedraaid en er staat nu iets anders op en ze heeft het gelezen, en ze zei: de kleine bruine. Dat ben jij.»

Mus zei niets. Ze zette haar veren op, wat ze doet als ze chagrijnig is, en ze was niet chagrijnig; ze deed het toch.

«Ik ga daar niet zitten,» zei ze.

«Dan blijft hij leeg,» zei Vink.

«Ja,» zei Mus. «Dat is wat ik wil.»

6 Crisis

Koekoek kwam ook terug. Hij landde op de kerk, vierkant, en hij ging zo ver mogelijk van de anderen zitten als een kerk toelaat.

«Ik ben erop geweest,» zei hij. «Op de witte. Ik ben er een tel op geweest.» Hij keek naar de goot. «En toen zei het kleinste kind dat het niet voor mij was. Niet onaardig. Ze zei het gewoon.»

Dat is het dieptepunt. Niet dat je het niet bent. Dat een kind dat gewoon kan zeggen.

Uil deed zijn ogen open. Hij schoof naar Koekoek toe, langzaam, want Uil doet alles langzaam, tot hij naast hem zat. Hij zei: «Je durfde erop. De anderen niet.»

«Vink wel.»

«Vink zat op de rand. Jij zat erop.» Uil zweeg twee tellen. «Dat heeft het kind ook gezien.»

7 Doorbraak

Toen besliste Mus. Dat gebeurt niet vaak.

«We gaan allemaal,» zei ze. «Nu. Naar de tuin. En niemand gaat op de stoel. We gaan eromheen zitten, met z'n vieren, op de stapel, één op elke hoek. En dan is de bovenste leeg, en dan is dat de koning.»

Uil had iets willen zeggen. Hij keek haar aan. Hij deed zijn snavel dicht. Hij vond het mooier dan wat hij had willen zeggen, en dat liet hij niet zien.

Ze gingen. De kinderen zagen vier vogels op de vier hoeken van de berg stoelen zitten en de witte stoel leeg, en het kleinste kind keek er lang naar en zei toen: «Oh.» En toen: «Ja.»

8 Nieuw evenwicht

's Nachts stonden de stoelen weer in de tuin, elk op zijn plek, want de moeder van de kinderen had dat gedaan, en de witte stond weer binnen.

De vogels zaten in het park, in de pruimenboom. Niet de kerk. Het park, waar ze begonnen waren, maar aan een andere tak.

«Ik ben geen koning,» zei Koekoek in het donker.

«Nee,» zei Uil.

«Mus ook niet.»

«Nee.»

«Wie dan?»

De maan was nieuw. Je zag hem niet. Uil keek er toch naar, naar de plek waar hij was, en hij zei: «Niemand. Daar is de stoel voor.»

Koekoek dacht erover na. Daarna sliep hij. Mus zat naast hem, aan de kant waar hij zou kunnen omvallen.

vorige · alle sprookjes · volgende