mus en vink

4De uil van steen

donderdag · maan: een sikkel · de kerk, de muur, de kerk · lijn: transformatie · dit sprookje is gespiegeld: de vogels doen wat ze laten zien, niet wat ze zijn

1 Evenwicht

Donderdag is markt. Op donderdag zitten de vogels op de kerk en kijken naar het plein, en het plein is vol kramen, en elke vogel heeft zijn eigen kraam.

Vink was er het eerst. Hij is er altijd het eerst. Hij zat op de hoogste punt en riep naar beneden wat er stond: de bakker, de visman, de man met de augurken, de mevrouw met de soep. Hij riep het alsof hij het had neergezet.

«En de friet?» vroeg Mus.

«Die komt later,» zei Vink. «Friet komt altijd later.»

Uil zat aan de kant van de soep. De mevrouw met de soep brengt bij alle mensen die op de markt staan een kom, en bij Uil ook, in een deksel, en op een goede dag zit er een extra stukje worst in. Uil keek ernaar uit. Dat liet hij niet zien. Hij zat alleen heel recht.

2 Breuk

De soep kwam. Er zat geen worst in.

Geen extra stukje, en ook geen gewoon stukje. Alleen soep. De mevrouw zette het deksel neer en zei «zo, Uil» zoals altijd, en ging door naar de visman, en Uil keek in het deksel.

Hij at. Hij zei niets. Hij zei de hele morgen niets, en dat is bij Uil niet vreemd, maar dit was anders. Dit was een stilte die niet luisterde.

Toen vloog hij weg. Niet naar beneden, naar de markt. Naar buiten, naar de rand, naar de muur.

3 Vertrek

Mus ging achter hem aan. Zij is degene die blijft, maar als Uil weggaat, blijft ze bij Uil.

Ze vond hem op de muur, op het bolwerk bij de haven, waar de muur en het water elkaar raken, op de ronde stenen uitbouw die daar al honderden jaren staat. Uil zat erop. Hij zat zoals een steen zit.

«Uil,» zei Mus.

Hij keek niet.

«Uil.»

Hij was grijs geworden. Dat kon niet, en het was zo. Zijn veren lagen plat als steen, zijn ogen waren dicht als steen, en de wind ging om hem heen zoals de wind om een steen gaat. Op de muur had altijd een stenen uil gestaan, dat wist iedereen in de stad. Nu wist Mus wat voor steen.

4 Drempel

Koekoek kwam. Hij landde vierkant naast de uil van steen en zei: «Ik weet wat dit is.»

Dat zegt Koekoek altijd. Vandaag was het de drempel, want hij zei erachteraan: «Ik weet het niet. Maar ik blijf.»

Hij ging zitten. Aan de ene kant Mus, aan de andere kant Koekoek, en in het midden de steen. Zo zaten ze op de muur. De markt ging door op het plein, ver weg; je hoorde de visman. De stad merkte niets. Een stenen uil op de muur is gewoon.

5 Beproeving

Vink kwam als laatste. Hij had de friet gehaald. Een stukje, met mayonaise, in zijn snavel. Hij legde het voor de steen neer.

«Dat helpt niet,» zei Koekoek.

«Nee,» zei Vink. «Maar het is friet.»

Toen deed Mus wat op haar gevraagd werd. Ze ging niet weg. Ze bleef zitten, de hele middag, naast een uil die een steen was, en ze zei af en toe iets. Niet veel. Dat het ging regenen misschien. Dat het al opgehouden was. Dat de visman bijna klaar was. Dat de mevrouw met de soep haar kar over het plein duwde en naar de kerk keek, naar de plek waar Uil altijd zit, en dat de plek leeg was.

«Ze kijkt,» zei Mus tegen de steen. «Ze kijkt naar je plek.»

6 Crisis

De avond kwam. De markt brak op. De kramen werden karren en de karren reden weg en het plein werd weer een plein.

En de steen bleef steen. Dat was de crisis: niet dat Uil van steen was, maar dat het donker werd en hij het nog was. Koekoek begon te praten, veel, en vierkant, over alles wat hij wist, en Vink vloog naar de poort en terug en naar de andere poort en terug, en Mus zette haar veren op en keek naar de andere kant.

Toen zei Vink: «Hij hoeft geen worst. Hij wil dat iemand het ziet.»

Het werd stil. Niemand had het willen zeggen. Vink zei het, want Vink zegt dingen.

7 Doorbraak

Vink floot.

Niet zijn gewone fluitje. Hij floot het fluitje dat hij fluit als er iets omgekeerd is, als de melodie een vrouwelijk slot hoort te hebben en een mannelijk slot krijgt. Hij floot het voor de steen. Kort. Twee noten, omhoog en omlaag, en de laatste verkeerd om.

De steen deed een oog open.

«Dat is fout,» zei de steen.

«Ja,» zei Vink.

«Het hoort andersom.»

«Ja,» zei Vink. «Zeg het dan.»

En Uil zei hoe het hoorde, de twee noten, met zijn zware stem, en toen hij ze zei was hij geen steen meer, want een steen kan niet zeggen hoe iets hoort. Hij was alleen een uil op een muur in het donker, en hij had honger.

8 Nieuw evenwicht

's Nachts zaten ze weer op de kerk. De maan was een dunne sikkel boven het plein, de eerste van de maand.

Uil at de friet. Koud. Met mayonaise. Hij zei dat het goed was. Vink zei dat friet altijd goed is, ook koud, en dat niemand hem dat ooit geloofde.

«Er zat geen worst in,» zei Uil, na een tijd.

«Nee,» zei Mus.

«Morgen misschien.»

«Misschien.»

Koekoek sliep al. Hij was de hele middag op de muur gebleven, en dat had niemand gevraagd. Dat wist Uil. Hij schoof een klein stukje dichter naar Koekoek toe, in het donker, waar je het niet zag.

vorige · alle sprookjes · volgende