mus en vink

5Het huisje als de oude mannen er niet zijn

vrijdag · maan: een sikkel · het park, de haven, het park · lijn: verboden kamer · gespiegeld: de vogels doen wat ze laten zien

1 Evenwicht

Op vrijdag gaan Koekoek en Mus meestal samen wat gezelligs doen, en doen Uil en Vink een spelletje met sterren. Ze weten zelf niet hoe het gaat, maar het is wel heel gezellig.

Zo begon het ook. In het park, 's morgens. Het was licht, en mensen zien dan geen sterren, maar vogels kijken anders. Uil en Vink zagen er zeven, laag boven het water, en Vink wees er een aan en Uil zei of hij er nog was, en dan wees Uil er een aan en Vink zei dat die er al niet meer was, en Vink zei «jij», en Uil zei «nee, jij», en zo ging dat. Koekoek en Mus liepen langs de vijver en bekeken de eenden, die ze niet kenden, en zeiden er dingen over.

Vink keek van de sterren naar de wolken. Hij keek naar de lucht zoals hij naar het weer kijkt. «Het gaat regenen,» zei hij. Dat zegt hij vaak. Dit keer was het zo.

2 Breuk

Het regende. Niet een beetje. Het regende zoals het in de herfst regent, van opzij, en de eenden gingen onder water en de zeven sterren waren weg, ook voor vogels.

«Naar het huisje,» zei Uil. Hij besliste het en iedereen ging.

Het huisje van de oude mannen staat aan de haven. Het is een dakje en vier palen en een bank, en je kunt er net onder met z'n vieren. Maar toen ze aankwamen was er iets anders. De oude mannen waren er niet. Dat was nog nooit gebeurd. En achter de bank, waar altijd de muur was, was een deur, en die deur stond op een kier.

Uil keek ernaar. «Daar gaan we niet in,» zei hij.

3 Vertrek

Mus ging erin.

Niet omdat ze het wilde laten zien. Omdat Uil het had gezegd, en als Uil iets zegt gaat Mus meestal mee, maar soms niet, en dit was zo'n soms. Ze zei niets. Ze hupte van de bank, achter de bank langs, door de kier.

Het was een kamer. Een echte, met een tafel en vier stoelen en een kachel die niet brandde. Aan de muur hingen foto's. Op de tafel lag een krant van heel lang geleden, en een pet, en een pijp, en een bord met een boterham die nog niet helemaal droog was.

Mus zat op de tafel, in het huis van de oude mannen, waar nooit iemand komt die geen oude man is.

4 Drempel

Koekoek kwam erachteraan. Natuurlijk. Hij zei in de deuropening: «Ik ga niet naar binnen,» en toen was hij binnen.

Hij keek om zich heen en zette zijn borst op, en hij zei dat dit een gewone kamer was en dat hij veel grotere kamers kende, en hij zei dat heel hard. Toen zag hij de foto's.

Op de foto's stonden de oude mannen. Maar jong. Een van hen op een boot. Een met een vrouw. Een met een hond die op Uil leek. Een heel kleine jongen op een bolder, de bolder, die bij de haven, en de jongen lachte naar iets buiten de foto.

Koekoek werd stil. Dat is zijn drempel: als hij stil wordt is hij ergens binnen.

5 Beproeving

Buiten zei Uil, tegen de regen: «Ze gaan niet weg.»

«Nee,» zei Vink.

«Ga jij dan.»

«Ik?» Vink keek naar de deur. Hij wilde wel. Hij wilde altijd. Maar het was Uil die het zei en dat maakte het anders.

Binnen was het Mus die iets moest. Ze zat op de tafel bij de boterham en ze had honger, want het was middag en de regen hield niet op, en de boterham lag daar. Ze keek ernaar. Ze keek lang. De korst was precies zoals ze korsten het liefst heeft.

Ze at hem niet. Ze zei tegen Koekoek: «Dat is van hen.»

Koekoek, die al een stuk had afgepikt, legde het terug. Zo precies als hij kon. Het lukte niet helemaal.

6 Crisis

Toen hoorden ze de stem van een oude man.

Hij kwam van de haven, over het water, door de regen, en hij zei iets tegen een andere oude man, en de andere oude man antwoordde, en ze kwamen dichterbij. Ze kwamen naar het huisje. Met z'n drieën. Je hoorde hun schoenen.

Uil zat onder het dakje, alleen, op zijn eigen plek, en wist dat hij de enige was die ze zouden zien. Hij deed wat hij kon doen. Hij zat. Hij zat zoals hij altijd zit, zodat alles er uitzag zoals altijd.

De oude mannen kwamen onder het dakje. Een van hen zei: «Zo, Uil.» En toen: «De deur staat open.»

Binnen zaten Mus en Koekoek onder de tafel en hielden op met ademen.

7 Doorbraak

Vink vloog.

Hij vloog niet weg. Hij vloog naar binnen, langs de oude mannen, langs de deur, de kamer in, luid, met alles wat hij had, en hij landde op de tafel en riep, zoals hij roept, dat het regende en dat het al bijna opgehouden was.

De oude mannen keken. Ze zagen een vink op hun tafel en een boterham met een stuk eraf. Een van hen zei: «Kijk nou.» De tweede zei: «Dat hebben we vaker gehad.» De derde, de kleinste, die vroeger op de bolder had gezeten, zei niets en lachte, en dat was hetzelfde lachje als op de foto.

Niemand zag Mus en Koekoek onder de tafel naar buiten gaan. Vink had ervoor gezorgd dat niemand ergens anders keek.

8 Nieuw evenwicht

's Nachts, in het park. De regen was over. De zeven sterren waren er weer, nu ook voor mensen.

«Ik ben binnen geweest,» zei Koekoek tegen de anderen, alsof ze dat niet wisten. En toen, zachter: «Er hingen foto's.»

«Ik weet het,» zei Uil.

«Jij was er niet.»

«Nee.» Uil keek naar het water. «Ik ben er vaker niet geweest.»

Dat was alles. Niemand kreeg straf, zegt de kraai. De kamer was er, de deur was er, en morgen zou de deur weer dicht zijn, en er zou weer een boterham liggen, en de oude mannen zouden het weer vaker gehad hebben. Wat anders was: Koekoek had de kleine jongen op de bolder gezien. Die zat daar nog steeds, elke morgen, met zijn handen op zijn knieën. Koekoek had het alleen nooit geweten.

vorige · alle sprookjes · volgende