6De kat bij de friet, achterstevoren
zaterdag · maan: wassend · de haven, het park, de haven · lijn: slimme zwakke · achterstevoren: de kraai vertelt dit sprookje van het eind naar het begin
1 Evenwicht
Dit sprookje vertelt de kraai achterstevoren. Zo onthoudt zij het. Eerst hoe het afliep.
Het was zaterdagnacht, aan de haven. De winkels waren dicht, al uren. Op zaterdagavond is het meeste eten te vinden, omdat dat nu eenmaal zo is, en de vogels hadden het druk gehad en waren nu klaar.
Ze zaten op de bolder. Alle vier. Op één bolder, en dat kan, als je stil zit. Onder hen, op de kade, lag een bakje friet. Leeg. Helemaal leeg, tot op de mayonaise. En naast het bakje sliep een kat. Een grote, grijze, dikke kat, met zijn kop op zijn poten, en in zijn slaap bewoog zijn staart alsof hij ergens achteraan zat.
«Hij heeft niets gehad,» zei Vink.
«Nee,» zei Mus.
Zo liep het af. Nu hoe het daar kwam.
2 Breuk
Daarvoor, een uur eerder, was de kat nog wakker. En hij was boos.
Hij zat voor het bakje friet. Het bakje was toen nog vol. De kat zat ervoor met zijn staart om zijn poten en keek naar de vier vogels op de bolder, en de vogels keken naar de friet, en zo zat iedereen al een tijd.
Koekoek zei: «Ik ga erheen.» Hij zei het voor de derde keer.
«Nee,» zei Uil, voor de derde keer.
Dat was de breuk, al was hij al oud. Een kat tussen jou en je friet, en een Koekoek die wil, en een Uil die nee zegt. Mus zat tussen hen in en dacht. Dat zie je niet aan haar. Dat weet je alleen als je haar kent.
3 Vertrek
Daarvoor, aan het begin van de avond, was Vink weggegaan.
Hij was de haven uit gevlogen, het park in, de stad in, over de dichte winkels, om te kijken wat er te eten lag, want dat doet Vink op zaterdag: hij vliegt vooruit. En hij kwam terug met het nieuws. Friet. Een heel bakje. Bij de kade, waar iemand het had laten staan die weg moest.
«En een kat,» zei hij erachteraan. «Een hele grote.»
«Hoe groot?» vroeg Koekoek.
«Groter dan jij,» zei Vink. «Groter dan Uil.»
Niemand zei iets. Zoiets is er niet.
4 Drempel
Daarvoor, in de namiddag, had Uil met de kat gesproken.
Ze kenden elkaar. Niet goed. Zoals een uil en een kat elkaar kennen: van een afstand, met respect, zonder dat ze ooit op dezelfde steen zitten. Uil had op de muur gezeten en de kat was onder hem langs gelopen en had omhoog gekeken, en Uil had omlaag gekeken, en dat was het gesprek.
Maar het was wel een gesprek. Uil wist nu dat de kat honger had. Een kat die honger heeft loopt anders. En hij wist dat de kat naar de kade ging. Hij had het de anderen niet gezegd. Hij had het bewaard, zoals hij alles bewaart, tot het nodig was.
5 Beproeving
Daarvoor, midden op de dag, was Vink getest.
De kat was hem op het plein tegengekomen. Vink zat op de rand van de fontein en de kat kwam langs en bleef staan, en keek, met die katteblik die zegt: ik kan, als ik wil. En Vink wilde opvliegen. Alles in hem wilde opvliegen; dat is wat Vink is.
Hij bleef zitten. Hij keek terug. Hij zei: «Jij ook goedemiddag.»
De kat liep door. Vink zat nog een hele tijd. Toen pas merkte hij dat hij had zitten trillen.
6 Crisis
Daarvoor, nog iets eerder op de middag, was Koekoek de kat als eerste tegengekomen.
En Koekoek had gedaan wat Koekoek doet. Hij had zijn borst opgezet. Hij had gezegd dat hij niet bang was voor katten, in het algemeen, en dat katten dat wisten. Hij had een stap naar voren gedaan. Vierkant.
De kat had een poot uitgestoken. Niet hard. Alleen uitgestoken. En Koekoek had een veer minder, een grijze, uit zijn staart, en de kat had die veer en Koekoek had niets.
Mus had het gezien. Ze zei er niets over. Ze ging naast hem zitten en zei dat hij er nog net zo uitzag. Dat was niet helemaal waar. Het was waar genoeg.
7 Doorbraak
En dat alles kwam samen op het moment, een uur voor middernacht, toen Mus besliste.
Ze zei: «Koekoek gaat niet. Vink gaat niet. Ik ook niet.» Ze keek naar het bakje. Ze keek naar de kat. «Uil, jij praat.»
«Ik praat niet,» zei Uil.
«Jij kijkt,» zei Mus. «Kijk naar hem. Zoals vanmiddag. En ik doe de rest.»
Uil keek. De kat keek terug, omhoog, naar de uil op de bolder, en kon niet ophouden met kijken, want dat kan een kat niet als een uil kijkt. En in die tijd liep Mus. Niet gevlogen. Gelopen, over de kade, langs de kat, naar het bakje, en ze at. Rustig. Eén friet. Nog een. Vink kwam, aan de andere kant, en at. Koekoek, met zijn veer minder, kwam, en at. De kat keek naar Uil, en Uil keek naar de kat, tot het bakje leeg was en Uil zijn ogen dichtdeed.
Toen pas keek de kat omlaag. Er was niets meer. Hij ging liggen.
8 Nieuw evenwicht
En daarvoor, helemaal aan het begin, in de morgen, zaten de vier aan de haven en voelden de dag aankomen. Het was zaterdag. Niemand wist nog iets van een kat. Uil zei: «Vanavond zijn de winkels dicht.»
«Ja,» zei Mus.
«Dan is er het meeste eten.»
«Ja.»
«Het wordt druk.»
Mus keek naar het water. «Het wordt altijd anders dan je denkt,» zei ze. En dat was de morgen, en daar begon het. Dat is het nieuwe evenwicht, zegt de kraai: als je het eind kent, is het begin een ander begin.