mus en vink

7Wat Uil de maan beloofde

zondag · maan: wassend · de haven, de kerk, de haven · lijn: pact · achterstevoren: van de avond naar de morgen

1 Evenwicht

Zondag is een rustdag. Het was zondagnacht en het was rustig geweest. Zo rustig dat Uil het niet vertrouwde.

Ze zaten aan de haven, op de bolder, en de maan stond boven het water, een halve, met de bolle kant naar de kerk. Vink sliep. Koekoek sliep. Mus zat naast Uil, en Uil zat rechtop, en keek naar de maan zoals hij naar iemand kijkt met wie hij iets heeft afgesproken.

«Je hebt het gedaan,» zei Mus.

«Wat?»

«Iets beloofd. Aan haar.» Ze knikte naar de maan.

Uil zweeg anderhalve tel. «Ja,» zei hij.

Dit sprookje gaat terug, zegt de kraai. Van hier, van de bolder, naar de morgen. Want wat Uil beloofde, beloofde hij 's morgens, en wat het kostte, dat kostte het pas 's avonds.

2 Breuk

Daarvoor, aan het eind van de middag, was het bijna misgegaan.

De afspraak was: een rustige zondag. Helemaal. Geen ruzie, geen augurken, geen kat, geen regen. En tot de avond was dat gelukt. Maar Koekoek had een ster gevonden, in de plas naast de bolder, een die daar overdag al lag omdat vogels anders kijken, en hij had hem Vink willen laten zien, en Vink had gezegd dat die van hem en Uil was, van vrijdag, en zo was er trek aan de ster gekomen.

Trek is het begin van ruzie. Uil zag het. Hij zag ook hoe laat het was.

«Laat liggen,» zei hij. Niet hard. Zo zacht dat ze allebei schrokken.

Ze lieten hem liggen. Ze keken naar Uil. Ze wisten niet wat er was, en hij zei het niet.

3 Vertrek

Daarvoor, in de middag, waren ze naar de kerk gegaan, en dat was deel van de afspraak.

De maan had gezegd: niet op de haven de hele dag. Dat is te veel water, te veel wind, te veel dag die aankomt. Naar de kerk, naar boven, naar de plek waar het stil is en de stad onder je ligt. Dus Uil had gezegd: «We gaan naar de kerk.» En ze waren gegaan, zonder te vragen waarom, want als Uil het zegt, ga je.

Vanaf de kerk zag je het plein, leeg, zondags, en de ramen van de huizen, waarachter de mensen zondag deden. Niemand gaf er woorden aan. Het was precies wat de maan had bedoeld.

4 Drempel

Daarvoor, aan het begin van de middag, had Mus het gezien.

Ze zat naast Uil op de kerk en keek niet naar hem, dat doet ze nooit, maar ze zag hem toch. Ze zag dat hij telde. Elk uur dat de klok sloeg telde hij mee, en als de klok klaar was keek hij even naar de lucht, waar de maan overdag een vaag wit ding is dat je bijna niet ziet.

«Het is een termijn,» zei Mus, alleen tegen zichzelf.

Een afspraak met de maan heeft altijd een termijn. Dat weet iedereen die er ooit een heeft gemaakt, en dat zijn er niet veel. Mus had er geen. Mus zou er ook geen maken. Maar ze wist wat het was, en vanaf dat moment hielp ze. Ze zei niets. Ze zorgde alleen dat niets gebeurde.

5 Beproeving

Daarvoor, laat in de morgen, was Vink op de proef gesteld.

Niet door de maan. Door het weer. Het ging bijna regenen. Je zag het aankomen over het water, een grijze rand, en Vink zag het als eerste, zoals altijd, en Vink wilde het zeggen. Vink wil altijd het weer zeggen. Het is zijn werk.

Hij keek naar Uil. Uil keek niet terug. Uil zat zoals iemand zit die hoopt dat niemand iets zegt.

En Vink zei het niet. Hij hield het in. De grijze rand kwam, en bleef hangen, en dreef langs, en het regende niet. Vink had de hele tijd zijn snavel dichtgehouden, en dat is voor Vink wat stilzitten is voor Vink: het moeilijkste wat er bestaat.

6 Crisis

Daarvoor, midden in de morgen, had Koekoek het bijna verpest zonder het te weten.

Hij had gezegd: «Ik ga rondjes lopen in het park.» Gewoon. Zoals op dinsdag. En hij was al opgestaan.

Maar het was zondag, en de afspraak was rust, en rondjes zijn geen rust, en Uil kon niet zeggen waarom niet, want de maan had ook gezegd: niemand mag het weten. Dus Uil zei: «Blijf.» En Koekoek zei: «Waarom?» En Uil zei niets, want hij had niets.

Dat was het dieptepunt van de dag, al was het pas morgen. Koekoek bleef, boos, met zijn borst op, omdat Uil het zei en hij niet wist waarom. Mus ging naast hem zitten en zei: «Ik blijf ook.» Dat hielp. Niet helemaal. Genoeg.

7 Doorbraak

En daarvoor, vroeg in de morgen, aan de haven, had Uil het gedaan.

De maan was nog op, bleek, laag over het water, want een wassende maan gaat laat onder. Uil had ernaar gekeken en de maan had naar hem gekeken, en Uil had gezegd: «Eén rustige dag. Voor hen.» Hij had niet gezegd voor wie. Dat wist de maan.

«Wat geef je?» had de maan gezegd. Een maan zegt niet veel.

«Vanavond,» zei Uil. «Als de klok elf slaat. Dan zeg ik hoe het heet.»

«Wat?»

«Wat ik voor ze voel.» Uil keek naar de drie die nog sliepen op de bolder. «Hardop.»

En de maan was akkoord gegaan, want een maan houdt van dat soort ruil, en was ondergegaan.

8 Nieuw evenwicht

Zo kwam het, zegt de kraai, dat Uil 's nachts op de bolder zat, rechtop, en de klok van de kerk elf sloeg, over het water, en de maan wachtte.

Mus wist het. Ze zat naast hem. Ze keek naar het water.

Uil deed zijn snavel open. Hij keek naar Vink, die sliep. Naar Koekoek, die sliep. Naar Mus, die niet keek.

«Elf,» zei hij.

Meer niet. Hij zei het getal. De klok was klaar. De maan wachtte nog een tel, en toen begreep ze het, of niet, en ging verder met wassen, en de dag was voorbij en rustig geweest.

«Dat was niet wat je had beloofd,» zei Mus.

«Nee,» zei Uil.

Mus schoof een heel klein stukje dichter naar hem toe. In het donker. Waar je het niet zag.

«Ze heeft het gehoord,» zei ze.

vorige · alle sprookjes · volgende