mus en vink

8De kleinste op de toren

maandag · maan: bijna half · de toren, het park, de toren · lijn: jongste van drie · achterstevoren: de kraai telt af, van de laatste tot de eerste

1 Evenwicht

Het was maandag en de wind stond op de toren.

Dit is hoe het eindigde: Mus zat op de spits. Helemaal bovenop, op de windhaan, die niet meer draaide omdat ze erop zat. De wind trok aan haar en ze bleef. Beneden, veel lager, op de rand, zaten de drie anderen en keken omhoog.

«Zij,» zei Koekoek.

«Zij,» zei Vink.

Uil zei niets. Hij had het geweten. Dat liet hij niet zien.

De kraai telt dit sprookje af. Drie hadden het geprobeerd. Dit was de derde, en de kleinste, en de laatste. Nu de tweede.

2 Breuk

Daarvoor had Vink het geprobeerd, en het was fout gegaan op de manier waarop het bij Vink fout gaat.

Hij was gegaan voordat iemand iets had gezegd. Omhoog, langs de toren, snel, veel te snel, met de wind mee die hem omhoog gooide, en halverwege had de wind gedraaid, zoals de wind op maandag doet, en Vink was teruggegooid alsof de toren hem niet wilde. Hij was geland in het park. Ver weg. In een struik.

Hij kwam terug met een takje in zijn veren en zei: «Ik was er bijna.»

«Je was halverwege,» zei Koekoek.

«Halverwege is bijna.»

Mus haalde het takje uit zijn veren. Ze zei niets over halverwege. Ze zei: «Je ging het hoogst van iedereen. Tot nu.»

3 Vertrek

Daarvoor had Koekoek het geprobeerd. Hij was de eerste.

Hij was vertrokken zoals hij alles doet: vierkant. Recht omhoog. Met zijn borst op en zijn vleugels wijd, in één lijn, zonder bocht, want een Koekoek maakt geen bochten als iemand kijkt. En de wind, die de toren om zich heen heeft als een jas, had hem gepakt en rondgedraaid en netjes weer op de rand gezet, op precies dezelfde plek, alsof hij nooit was weggeweest.

«Ik ben er geweest,» zei Koekoek.

«Je bent hier,» zei Vink.

«Ik ben er geweest en terug.» Hij keek strak voor zich uit. «Dat is sneller dan jullie.»

Uil deed zijn ogen dicht. Mus ging naast Koekoek zitten, aan de windkant, zodat hij het niet zo voelde.

4 Drempel

Daarvoor, nog eerder, had Uil gezegd wie er niet ging.

«Ik niet,» had hij gezegd. «Ik ben te zwaar voor die wind. Ik blijf hier en ik kijk.»

Dat was de drempel. Daarmee was het een wedstrijd geworden tussen drie, en Uil de rechter, en dat was niet wat iemand had gewild, maar zo was het. Koekoek wilde als eerste. Vink wilde als eerste. Mus wilde niet.

«Waarom moet iemand erop?» had Mus gevraagd.

Niemand wist het. Het was maandag, en op maandag is er niets, en als er niets is wil je ergens op.

5 Beproeving

Daarvoor was de wind gekomen.

Hij kwam uit het westen, waar de toren staat, en hij was de hele nacht al bezig, en toen de vogels in de morgen van onder de kerk kwamen en naar de haven wilden, zoals altijd, konden ze niet. De wind duwde ze terug. Elke keer. Naar het westen, naar de toren, de verkeerde kant op, de kant waar niets is.

Dus zaten ze op de toren. Niet omdat ze wilden. Omdat de wind het wilde. En boven hen was de spits, en op de spits de windhaan, en de windhaan draaide als gek, en Vink keek ernaar en zei: «Als je daarop zit, zie je de haven.»

«Je ziet alles,» zei Koekoek.

Dat was de beproeving: de hele dag op de verkeerde plek, met de goede plek in zicht.

6 Crisis

En daarvoor, 's morgens vroeg onder de kerk, was het mors geweest, omdat het maandag was.

Dat is geen groot ding. Het is elke maandag. Maar deze maandag zat het in alles: de zondag was weer te kort geweest, de wind was gedraaid, Vink had slecht geslapen, Koekoek had een gewichtige gedachte gehad die hij niet meer vond, en Uil zei niets, wat hij altijd doet, maar vandaag voelde het als iets.

Mus zat ertussen. Dat is haar plek. Ze zei: «Het is maandag. Het gaat over.»

Niemand antwoordde. Dat was het dieptepunt, en het was er al voordat de dag begon.

7 Doorbraak

En de doorbraak, zegt de kraai, kwam niet aan het eind, maar in het midden, en de kraai vertelt hem nu pas omdat je hem anders niet begrijpt.

Het was toen de twee hadden gefaald, Koekoek rondgedraaid en Vink in de struik, en Uil zei: «Dan niemand.» Hij besliste het. Zo gaat dat.

Mus was al weg.

Ze was niet omhoog gevlogen. Ze was niet recht gegaan en niet snel gegaan. Ze was langs de toren gekropen, in de luwte, aan de kant waar de wind niet komt, van steen naar steen, van richel naar richel, zoals een mus dat kan omdat een mus klein is. Het duurde lang. Niemand zag het. En toen zat ze op de windhaan.

Uil had zijn snavel open om te zeggen dat niemand ging. Hij deed hem dicht.

8 Nieuw evenwicht

En dat is dus hoe het eindigde, op de spits, in de wind, 's nachts.

Mus kwam naar beneden. Langzaam, langs dezelfde richels. Ze ging tussen de anderen zitten, op de rand, waar ze de hele dag hadden gezeten.

«Wat zag je?» vroeg Vink.

«De haven,» zei Mus. «En het plein. En de kerk. En het park. Alles op een rij.»

«En?»

Mus dacht na. «Het was hetzelfde als van hier,» zei ze. «Alleen kleiner.»

Koekoek knikte alsof hij dat had geweten. Vink zei dat hij morgen ging. Uil zei niets. Hij keek naar Mus zoals hij naar haar kijkt als niemand kijkt, en het was donker, dus niemand keek, behalve de maan, die bijna half was, en de kraai.

vorige · alle sprookjes · volgende