mus en vink

9De knuffel bij de poort

dinsdag · maan: bijna half · de toren, de muur, de toren · lijn: verloren en gevonden kind · achterstevoren én gespiegeld: van de nacht naar de morgen, en de vogels doen wat ze laten zien

1 Evenwicht

Dit sprookje loopt terug, en het is gespiegeld, en dat is allebei de schuld van dinsdag.

Het eindigde zo: dinsdagnacht, op de toren. De vier zaten op de rand, extra moe, zoals je op dinsdagavond bent. Tussen hen in, op de steen, lag niets meer. Er had de hele dag iets gelegen. Nu niet.

Mus zat met haar veren op en keek naar de andere kant. Vink deed of er niets aan de hand was. Maar toen hij zijn fluitje floot, zijn avondfluitje, het korte, had het aan het eind een mannelijk slot waar een vrouwelijk hoort, en Koekoek hoorde het, en Uil hoorde het, en niemand zei er iets van.

Ze hadden ruzie. Dat duurt nooit lang. Soms is het zo.

2 Breuk

Daarvoor, aan het eind van de middag, was de ruzie begonnen, en hij was begonnen over wie het had gevonden.

«Ik,» zei Vink.

«Ik zag het eerst,» zei Mus.

«Zien is niet vinden.»

«Jij vloog eroverheen. Ik ging erop zitten.»

Dat is het soort ruzie. Het ging niet over de knuffel. Het ging nergens over. Zo zijn de echte. Koekoek zei dat hij het had gevonden, wat niet waar was, en hij zei het stoer, en Uil zei: «Stil.» Niemand was stil.

En toen was de knuffel weg, en het kind had hem, en er was niets meer om over te ruziën, en toch ging het door, want dat doet ruzie.

3 Vertrek

Daarvoor, in de middag, hadden ze de muur verlaten om de knuffel terug te brengen, en dat was Mus die het zei, en dat was gespiegeld, want Mus zegt normaal niet waar we heengaan.

«Naar de kleuterschool,» zei ze. «Daar hoort hij.»

Ze zei het alsof ze het zeker wist, en ze wist het niet zeker, en dat liet ze niet zien. Dat is wat een spiegel doet: je doet wat je laat zien.

De knuffel was een vogel. Een stoffen vogel, bruin, met één oog en een snavel van vilt en een vlek van brood met zand. Mus droeg hem. Hij was bijna net zo groot als zij. Ze vloog laag en langzaam, de muur af, de stad in, en de anderen vlogen eromheen alsof ze iets bewaakten.

4 Drempel

Daarvoor, aan het begin van de middag, op de muur bij de poort, was Koekoek degene geweest die wist wat het was.

«Dat is van het kleine kind,» zei hij. «Van de kleuterschool. Het kind met de gele laarzen. Ze heeft hem altijd bij zich. Ze heeft hem gisteren ook bij zich gehad, toen we brood met zand kregen.»

Hij zei het niet stoer. Hij zei het gewoon, en snel, en zeker, en hij had gelijk. Zo is Koekoek als niemand kijkt. Vandaag keek iedereen en hij deed het toch. Dat was de spiegel: hij liet voor één keer zien wat hij is.

Uil keek naar hem. Lang. Hij zei niets. Hij hoefde niets te zeggen.

5 Beproeving

Daarvoor, laat in de morgen, had Mus hem gevonden. Of gezien. Daar ging later de ruzie over.

Hij lag onder de poort, de poort aan de haven, waar de muur en het water elkaar raken. Hij lag in het gras, op zijn rug, met zijn ene oog naar boven, en het had geregend en hij was zwaar.

Mus ging erop zitten. Dat was haar beproeving: niet weglopen, niet erbij roepen, maar erop zitten, in de regen, tot de anderen kwamen. Een vogel die een vogel bewaakt. Ze dacht aan het kind met de gele laarzen, die ze kende van dinsdag, en ze wist dat het kind nu ergens was zonder dit, en dat het kind klein was.

Ze zat. Ze was zelf ook klein. Dat hielp.

6 Crisis

Daarvoor, in de morgen, was Uil kwijt geweest.

Niet lang. Een uur. Hij was naar de school gegaan, naar de rand van het raam van de hoofdmeester, zoals op dinsdag, en de hoofdmeester was er niet, en het raam was dicht, en Uil had op de richel gezeten en niet geweten wat hij moest, en dat is bij Uil het dieptepunt: niet weten wat hij moet.

Vink had hem gevonden. Vink vliegt overal, dus Vink vindt. Hij had op de richel naast hem gezeten en gezegd: «Er is geen school vandaag. Het is een vrije dag. Dat staat op de deur.» Vink kan geen letters lezen. Hij had het aan de deur gezien.

«Kom,» zei Vink. «Naar de muur. Daar is iets.»

Hij wist nog niet wat. Dat zei hij ook, en dat is gespiegeld, want Vink zegt normaal dat hij het weet.

7 Doorbraak

En in het midden, zegt de kraai, op de kleuterschool, in de middag, gebeurde wat hier bij hoort.

Het kind met de gele laarzen stond op het plein van de school, alleen, en huilde niet. Dat was erger. Ze stond daar maar. En Mus landde voor haar, met de stoffen vogel, en legde hem neer, en ging erachter zitten zodat je hem goed zag.

Het kind keek. Het kind raapte hem op. Het kind keek naar Mus, en naar de drie anderen op het hek, en zei: «Dank je.» Tegen vier vogels. Gewoon.

Toen besliste Mus, en dat is de tweede keer dit seizoen: «We gaan,» zei ze. «Nu. Voordat ze het aan iemand vertelt.» En Uil, die net iets had willen zeggen, zei het niet.

8 Nieuw evenwicht

En daarvoor, helemaal aan het begin, dinsdagmorgen, waren ze op de toren wakker geworden, de verkeerde kant, want de wind had weer gedraaid.

Het was een gewone dinsdag. Ieder voor zich. Koekoek ging rondjes lopen, Uil ging naar de school, Mus en Vink gingen overal, en niemand wist dat er onder de poort iets lag.

Vink floot zijn morgenfluitje. Het slot was goed. Vrouwelijk, zoals het hoort. Mus zat naast hem en zei niets, en dat was genoeg, en dat was voordat de ruzie er was en nadat hij voorbij was, want zo gaat dat als je terugvertelt: het begin is wat er na de ruzie overblijft.

vorige · alle sprookjes · volgende