mus en vink

10Het fluitje dat de wind nam

woensdag · maan: half · het park, de kerk, het park · lijn: zoektocht naar het verlorene · achterstevoren én gespiegeld

1 Evenwicht

Woensdagnacht in het park. De maan was precies half, en dat is de nacht dat je het verschil hoort.

Vink floot. Het was zijn fluitje, zijn eigen, met het slot dat erbij hoort, en het klonk over het park en de tuinen en kwam terug van de kerk, en de anderen luisterden, en Mus zei: «Ja. Dat is hem.»

Zo eindigde de dag. Met het fluitje terug. Dit sprookje vertelt de kraai achterstevoren, en gespiegeld, want Vink was de hele dag niet Vink geweest, en daar gaat het over.

2 Breuk

Daarvoor, in de avond, had Vink het bijna opgegeven.

Hij zat op de kerk, naast Mus, en hij deed zijn snavel open en er kwam niets. Niet verkeerd. Niets. Hij was zijn fluitje kwijt, de hele dag al, en hij had het overal gezocht, en nu was hij er klaar mee, en dat liet hij zien: hij zat stil. Vink stil. Dat is geen Vink.

«Het komt terug,» zei Mus.

«Hoe weet jij dat?»

«Omdat het van jou is.»

Dat was geen antwoord, en Vink zei dat ook, en Mus zei dat het wel een antwoord was, en dat was bijna ruzie, en toen niet, want Uil zei: «Luister.» En iedereen luisterde, en er was alleen wind.

3 Vertrek

Daarvoor, in de middag, waren ze uit het park weggegaan om het te zoeken, en het was Mus die vooropging, en dat is gespiegeld.

Ze gingen langs alle plekken waar Vink die dag was geweest, in de verkeerde volgorde, van het laatst naar het eerst: de tuinen, waar de kinderen speelden, en waar Vink altijd wil meedoen; het plein; de haven; de muur; de kerk. Bij elke plek bleef Vink staan en deed zijn snavel open. Niets.

«Het is niet een ding,» zei Koekoek halverwege. «Je kunt het niet laten liggen.»

«Hij heeft het ook niet laten liggen,» zei Uil. «Het is genomen.»

«Door wie?»

Uil keek naar de bomen, die bogen. «Door wat,» zei hij.

4 Drempel

Daarvoor, aan het begin van de middag, bij de tuinen, was het gebeurd.

De kinderen waren vrij, want het was woensdag, en ze speelden in de derde tuin, en Vink wilde meedoen. Dat vindt Mus te menselijk. Dat vond ze ook vandaag. Maar Vink ging, naar de rand van de tuin, en de kinderen zeiden «fluit eens», want dat kenden ze van hem.

En Vink floot. Voor de kinderen. Zo hard als hij kon, met alles wat hij had, met zijn snavel naar de wind.

En de wind nam het. Dat kan. Vogels weten dat. Je fluit tegen de wind in en de wind trekt het uit je en neemt het mee, en dan heb je het niet meer, en het hangt ergens in de lucht, en je moet het terugvinden voordat het ergens landt waar je niet bij kunt.

Vink deed zijn snavel open. Niets. De kinderen lachten, want ze dachten dat het een grapje was. Vink ook, bijna.

5 Beproeving

Daarvoor, laat in de morgen, had Mus gezegd wat ze vond, en dat is gespiegeld, want ze zegt dat normaal niet.

«Niet bij de kinderen fluiten,» had ze gezegd. «Niet vandaag. Het waait.»

«Jij vindt het te menselijk,» zei Vink.

«Ja,» zei Mus. «En het waait.»

Vink ging toch. Dat was de beproeving, zegt de kraai, en ze was voor Mus: hem laten gaan. Niet mee, niet tegenhouden, niet nog een keer zeggen. Hem laten gaan en blijven zitten. Dat deed ze. Het is het moeilijkste wat Mus kan, en het is wat ze het beste kan.

6 Crisis

Daarvoor, midden in de morgen, had Koekoek het zijne gedaan, en het was fout, en het was het dieptepunt van de dag voordat de dag was begonnen.

Hij had Vinks fluitje nagedaan. Gewoon, om te laten zien dat hij het kon. Hij kan het niet. Hij kwam te laat in, en te laag, zoals altijd, en het slot ging de verkeerde kant op, en Vink hoorde het en zei: «Zo klink ik niet.»

«Zo klink je wel,» zei Koekoek.

«Zo klink ik niet.»

Het ging niet verder, want Mus ging tussen hen in zitten. Ze zei tegen Koekoek: «Je was te laat. En te laag. En je deed het toch.» En Koekoek wist niet of dat lief was of niet, en het was lief, en hij schoof een stukje naar Mus toe. Dat doet hij altijd na een correctie. Naar Mus.

7 Doorbraak

En in het midden van dit alles, zegt de kraai, in de avond op de kerk, nadat Vink stil had gezeten en Uil «luister» had gezegd, kwam het terug. Zo:

Koekoek floot. Opnieuw. Het fluitje van Vink, fout, te laat, te laag, met het verkeerde slot. Hij floot het de wind in. Niet voor de grap. Hij floot het zoals je iemand roept.

En de wind, die het echte fluitje nog had, hoorde het foute, en bracht het echte terug om het te laten horen hoe het hoort. Dat kan. Vogels weten dat. Het kwam van over het park, en het landde in Vink, en Vink deed zijn snavel open en daar was het.

Uil had willen beslissen wat ze deden. Hij hoefde niet. Koekoek had het gedaan, verkeerd, en daardoor goed. Niemand zei dat. Koekoek wist het zelf. Dat was genoeg.

8 Nieuw evenwicht

En daarvoor, 's morgens vroeg, in het park, was het gewoon woensdag geweest.

Een gewone doordeweekse dag, extra gewoon. De kinderen vrij. De tuinen. De pruimenboom. Vink floot zijn morgenfluitje, zoals altijd, zonder erbij na te denken, en het klonk over het park en kwam terug van de kerk.

Niemand luisterde. Je luistert niet naar wat er altijd is. Dat is het begin, en zo vertelt de kraai het als laatste: het fluitje was er, en niemand hoorde het, en dat is ook een manier om iets kwijt te zijn.

vorige · alle sprookjes · volgende