11De andere mus in het raam
donderdag · maan: ruim half · de muur, de toren, de muur · lijn: de bedrieger · gespiegeld: de vogels doen wat ze laten zien
1 Evenwicht
Donderdag, markt. Maar de vogels zaten niet op de kerk. Ze zaten op de muur, aan de kant van de haven, want de markt was verhuisd.
Dat gebeurt één week per jaar. Dan is er kermis op het plein en gaan de kramen naar de haven en het park, en dan staat alles op de verkeerde plek: de bakker bij het water, de visman onder de bomen, de mevrouw met de soep die haar kar over de kade duwt en niet weet waar iedereen zit.
Vink vond het prachtig. Hij vloog van kraam naar kraam en riep wat waar stond. Mus zat stil. Haar bakkerskraam stond nu met zijn rug naar het water, en in de ruit van de kraam, waar anders het plein in spiegelde, spiegelde nu de haven.
En in de ruit zat een mus.
2 Breuk
Uil zag haar als eerste. De andere mus. Ze zat in de ruit, precies waar Mus zat als je vanaf de muur keek, en ze was bruin en klein en ze had haar veren een beetje op.
«Daar zit er nog een,» zei Uil.
Mus keek. De andere mus keek. Mus zette haar veren op. De andere mus ook.
«Dat ben ik,» zei Mus.
«Nee,» zei Uil. «Jij zit hier.»
En dat was de breuk, zegt de kraai, want Uil had gelijk en Mus had gelijk, en die twee hebben nooit tegelijk gelijk zonder dat er iets scheef gaat.
3 Vertrek
Mus ging erheen. Dat is gespiegeld: Mus blijft, Mus gaat niet, maar vandaag ging ze. Ze verliet de muur en vloog naar de kraam en landde op de rand van de ruit, en de andere mus landde op de rand van de ruit, van binnenuit, en ze zaten snavel aan snavel.
«Wie ben jij?» zei Mus.
De andere mus zei het ook. Je hoorde het niet. Je zag het.
De bakker zag het ook. Hij lachte en zei: «Die heeft een vriendin,» tegen de visman, en gaf Mus een korst. De andere mus kreeg ook een korst. Mus at. De andere mus at. Dat was het ergste: ze had precies evenveel honger.
4 Drempel
Koekoek kwam erbij. Hij landde naast Mus en keek in de ruit en zag een koekoek.
«Ha,» zei hij. «Die ken ik.»
Hij zette zijn borst op. De andere koekoek ook. Hij deed een stap naar voren, vierkant. De andere ook. Toen bleef Koekoek heel stil staan, en keek, en de andere keek terug, en Koekoek zei zacht, zonder stoer: «Hij kijkt dommer dan hij is.»
Dat was de drempel. Voor het eerst zag Koekoek wat de anderen zien. Hij zei er verder niets over. Hij bleef er wel naar kijken, een hele tijd, tot Uil hem riep.
5 Beproeving
Mus moest kiezen, en dat was haar beproeving, en niemand kon haar helpen.
De andere mus was er. Ze was er de hele middag. Ze at wat Mus at, ze keek waar Mus keek, en als Mus naar Vink keek, keek de andere naar een andere vink, een die er niet was. Als Mus hier ging zitten, ging de andere daar zitten. En Mus dacht: als ik nu wegga, blijft zij. Dan is zij de mus bij de bakker. Dan is zij degene die blijft.
En dat is wat Mus is. Degene die blijft.
Dus bleef ze. De hele middag, op de rand van de ruit, naast zichzelf, zodat de andere niet alleen zou zijn, of niet alleen de hare. Ze wist zelf niet welke van de twee. Vink kwam langs en zei: «Kom je?» En Mus zei: «Nee.» En Vink ging weer, want Vink begrijpt niet alles, maar hij begrijpt nee.
6 Crisis
Tegen de avond ging de zon onder, en hij ging onder achter de muur, en de ruit werd goud, en toen donker, en de andere mus werd minder.
Niet weg. Minder. Vager. Je zag door haar heen de broden liggen.
«Ze gaat,» zei Mus. Ze zei het tegen Uil, die naast haar was komen zitten zonder dat ze het had gemerkt.
«Ja,» zei Uil.
«Dan is ze weg.»
Uil zei niets. Dat is het dieptepunt: dat Uil niets zegt als je iets nodig hebt. Hij deed wel iets. Hij schoof. Een klein stukje. Zodat zijn veren de hare raakten, aan de kant van de ruit.
7 Doorbraak
Vink floot. Van de muur af, hard, zijn avondfluitje, met het goede slot, over de haven en de kramen en de ruit.
En de andere mus, die bijna weg was, keek om. Naar de andere vink, die er niet was. En toen naar Mus. En Mus zag het: de andere mus had geen vink. Ze had een ruit en een bakker en korsten en een plek, maar geen vink die floot.
Mus ging. Ze besliste het zelf, en dat is de derde keer dit seizoen. Ze liet de ruit los en vloog naar de muur, naar Vink, en ging naast hem zitten, en keek niet om.
Uil had iets willen zeggen. Hij zei: «Goed.»
8 Nieuw evenwicht
's Nachts op de toren, de verkeerde kant, want de kermis maakte het plein te luid.
De maan stond ruim half boven de stad. De ruit van de bakkerskraam was donker, ergens beneden bij het water, en morgen zou de kermis voorbij zijn en de markt weer op het plein staan en de ruit weer het plein spiegelen.
«Was zij echt?» vroeg Koekoek.
«Ze at,» zei Mus.
«Dat is geen antwoord.»
«Nee,» zei Mus. Ze keek naar Vink, die sliep, met zijn kop naar het weer. «Zij had hem niet,» zei ze. Meer zei ze niet. Dat was het verschil. Dat was genoeg.