mus en vink

12Een ton vol augurken

vrijdag · maan: bijna vol · de muur, het park, de muur · lijn: de wens die zich keert · gespiegeld: de vogels doen wat ze laten zien

1 Evenwicht

Op vrijdag gaan Koekoek en Mus samen wat gezelligs doen. Dat begon 's morgens op de muur, bij de poort, waar de muur en het water elkaar raken, en gezellig was: zitten en naar de boten kijken en zeggen wat voor boten het waren. Koekoek wist dat van alle boten. Hij had het mis bij de helft. Mus zei er niets van.

Uil en Vink zaten verderop en speelden met sterren. Overdag, want vogels kijken anders. Vink wees er een aan boven de haven en Uil zei dat die er gisteren ook was, en Vink zei dat dat een andere was, en ze wisten allebei niet hoe het spel ging, en het was heel gezellig.

Toen kwam er een boot die Koekoek niet kende. Een platte. Met een ton erop.

2 Breuk

De boot legde aan bij de poort. De man van de boot rolde de ton van de boot op de kade en liet hem daar staan en ging weg, en het deksel lag los.

Koekoek rook het als eerste. Hij rook het en zijn ogen werden groot en hij zei, hardop, voor iedereen, en dat is gespiegeld, want dit zeg je niet hardop: «Ik wou dat ik alle augurken van de wereld had.»

Hij keek in de ton. De ton was vol augurken. Tot de rand. Groot en groen en glanzend, honderden, in hun zuur, en Koekoek stond op de rand van de ton en keek naar beneden en zag zijn wens.

Uil zei: «Niet.» Hij zei het te laat, en hij wist het.

3 Vertrek

Koekoek ging erin.

Niet erbij. Erin. Hij sprong van de rand in de ton, tussen de augurken, en hij at. Hij at zoals iemand eet die zijn wens heeft gekregen en weet dat het niet lang duurt. De anderen stonden om de ton. Mus zei: «Koekoek.» Koekoek at. Vink zei dat het ging regenen. Koekoek at. Uil zei niets, want hij had al niet gezegd en dat had niet geholpen.

Na een tijd werd het stil in de ton.

«Koekoek?»

«Ik kan niet meer,» zei een stem van ver beneden, tussen de augurken. «Ik kan niet meer en ik kan er niet uit.»

Dat was het vertrek: niet weg van de plek, maar de plek in, zo diep dat de plek om je heen sluit.

4 Drempel

Een muis stak haar kop over de rand van de ton.

Een echte. Grijs, met oren, met een staart. Ze keek naar beneden, naar Koekoek, en toen naar de drie vogels, en toen naar Uil, lang, want een muis kijkt altijd het langst naar een uil.

Uil keek terug. Uil houdt van snoepmuisjes, dat weet iedereen, omdat die tenminste niet wegrennen. Deze rende niet weg. Dat was de drempel, zegt de kraai: een muis die een uil aankijkt en blijft.

«Hij zit vast,» zei de muis. Haar stem was klein en helder.

«Ja,» zei Uil.

«Ik kan erbij. Jullie niet.»

«Nee.»

De muis keek nog eens naar Uil, en knikte, alsof er iets was afgesproken, en liet zich in de ton zakken.

5 Beproeving

Nu was het aan Mus, en dat liet ze zien, want het was gespiegeld.

Ze ging op de rand van de ton zitten en praatte. Naar beneden, naar Koekoek, die misselijk was en vast zat en niet kon kijken. Ze zei wat voor boten er voorbijkwamen. Ze zei het fout, expres, zodat hij het kon verbeteren. «Een visser,» zei ze. «Nee,» zei Koekoek van beneden, zwak, «een platbodem.» «Een platbodem,» zei Mus. «Je hebt gelijk.»

Zo hield ze hem wakker. De hele middag. Terwijl de muis beneden iets deed wat niemand zag: ze at. Augurken. Rond Koekoek. Eén voor één. Een muis is klein en een ton is groot, maar een muis heeft de tijd.

6 Crisis

Tegen de avond was het niet genoeg.

De muis kwam boven. Ze was dik. Ze zei: «Ik kan niet meer.» Dezelfde woorden als Koekoek. En beneden zat Koekoek nog steeds, met iets meer ruimte, niet genoeg, en het werd koud, en Vink zei dat het nu echt ging regenen, en voor één keer was dat erg.

Uil zat naast de muis op de rand. Hij keek niet naar haar. Dat deed hij expres. Hij keek naar het water.

«Je hebt gedaan wat je kon,» zei hij tegen de muis. Zacht. Het was het eerste wat hij die dag zei dat hielp.

De muis keek naar hem. «Jij,» zei ze. «Jij kunt de ton omduwen.»

«Ik ben te zwaar om te vliegen in de wind,» zei Uil, «niet te licht om te duwen.» Hij stond op.

7 Doorbraak

Uil duwde.

Hij zette zijn schouder tegen de ton, de grote, de zware, en hij duwde zoals een uil duwt: langzaam, en zonder op te houden. De ton bewoog niet. Toen een beetje. Vink kwam en duwde ook, snel en nutteloos en toch. Mus kwam. De muis kwam, met haar dikke buik, en duwde tegen de onderkant.

De ton kantelde. Hij rolde. Hij rolde van de kade de poort door, de stad in, naar het park, want daar loopt het af, en onderweg kwamen de augurken eruit, honderden, over de straat, en in het park kwam de ton tegen een boom en lag stil, en uit de opening kwam Koekoek.

Groen. Nat. Zuur. Vrij.

Mus was er het eerst. Ze zei niets over augurken. Ze zei: «Je had je wens.» Koekoek knikte, langzaam. «En nu niet meer,» zei hij. Dat was de omkering. Hij klonk opgelucht.

8 Nieuw evenwicht

's Nachts op de muur. De maan bijna vol, groot over het water, en de straat van de poort naar het park lag vol augurken die niemand had opgeraapt.

De muis was gebleven. Ze zat naast Uil. Niet dichtbij. Op muis-afstand. Uil keek naar het water en de muis keek naar het water en zo zaten ze.

«Je eet haar niet,» zei Vink.

«Nee,» zei Uil.

«Waarom niet?»

Uil dacht erover na. «Ze rent niet weg,» zei hij. «Dat is het hele punt van snoepmuisjes. Dit is er een.»

De muis zei niets. Koekoek sliep, met zijn buik omhoog. Mus zat aan de kant waar hij zou omvallen. Dat was vrijdag, en gezellig was het geweest, anders dan gedacht.

vorige · alle sprookjes · volgende