mus en vink

13De klok die bleef staan

zaterdag · maan: bijna vol · de toren, de haven, de toren · lijn: de bevroren tijd

1 Evenwicht

Zaterdagmorgen op de toren. De vogels zaten op de rand, onder de klok. De klok is groot en wit en heeft twee zwarte wijzers, en hij slaat elk uur, en de vogels horen hem nooit, zoals je het niet hoort als je eigen hart klopt.

Mus zat het hoogst. Ze keek naar het oosten, naar de kerk, het plein, het park, het water. Beneden gingen de winkels open. Zaterdag. Vanavond zouden ze dichtgaan, en dan was er het meeste eten, omdat dat nu eenmaal zo is.

«Het wordt een goede dag,» zei Vink.

Koekoek zei dat je dat nooit kon weten. Uil zei niets. Hij luisterde naar de klok, die net negen had geslagen. Hij luisterde naar wat erna kwam.

2 Breuk

Er kwam niets na.

Dat merkte je niet meteen. Je merkt het pas als tien uur niet komt. Koekoek merkte het als eerste, omdat Koekoek op de markt altijd wacht tot tien uur, want dan komen de augurken, en de augurken kwamen niet, en toen keek hij naar de klok.

De wijzers stonden stil. Op negen. Allebei.

«Hij staat,» zei Koekoek.

Beneden gebeurde hetzelfde. De bakker deed zijn deur open en stond in de deur en deed niets. De mensen op straat liepen tot ze stonden. De kinderen op het plein waren midden in een spel en bleven midden in het spel. Niet bevroren. Niet stil. Gewoon: ze gingen niet verder. Het was negen uur en het bleef negen uur.

3 Vertrek

Vink ging kijken. Natuurlijk. Hij was al weg.

Hij vloog de stad door, en de anderen gingen achter hem aan, van de toren naar de kerk, naar het plein, door het park, naar de haven, en overal was het negen uur. Aan de haven zat de oude man op de bolder en keek naar het water, en dat deed hij altijd, dus daar zag je het niet, maar het water zelf stond ook. De golfjes stonden. Een meeuw hing in de lucht.

«Alles staat,» zei Vink.

«Wij niet,» zei Mus.

Dat was zo. Vier vogels bewogen in een stad die niet meer verderging. Vogels kijken anders. Vogels gaan blijkbaar ook anders.

4 Drempel

Uil ging op de bolder zitten, naast de oude man die stilstond, en hij keek lang.

«Het is de klok,» zei hij.

«Dat zei ik,» zei Koekoek.

«Nee. Je zei dat hij stond. Ik zeg dat hij het is.» Uil keek naar de toren, die je van de haven af kunt zien, hoog boven de daken. «Als de klok niet verder gaat, gaat de stad niet verder. Dat is wat een klok is.»

«En wij?»

«Wij hebben geen klok,» zei Uil. «Wij hebben de maan.»

Hij keek omhoog. Overdag zie je de maan bijna niet, maar vogels kijken anders, en de maan was bijna vol, en ze bewoog. Langzaam. Maar ze bewoog. Dat was de drempel: dat er iets was wat nog ging.

5 Beproeving

Vink moest terug naar de klok. Alleen. Dat was wat op hem gevraagd werd, want hij was de snelste, en de toren was ver, en niemand wist hoe lang negen uur zou duren.

Hij ging. Hij vloog over een stad die stond, en dat is erger dan het klinkt, want een stad die stilstaat is niet stil: alles is er nog, alle geluid, alleen gaat het niet verder, het hangt. Een deurbel die halverwege is. Een hond die halverwege is. Vink vloog erdoorheen en probeerde niet te luisteren.

Op de toren ging hij op de grote wijzer zitten. Die stond op de negen. Hij was zwaar en koud en hij bewoog niet.

Vink duwde. Niets. Vink hing eraan. Niets. Vink floot ertegen. Niets.

6 Crisis

Toen kwamen de anderen, en het was Koekoek die het verpestte, of dat dacht iedereen.

Hij landde op de kleine wijzer. Vierkant, zoals altijd. Te hard, zoals altijd. En de kleine wijzer, die op de negen stond, kraakte, en schoof, een stukje, de verkeerde kant op, naar de acht.

«Nee,» zei Vink.

«Ik deed niets,» zei Koekoek.

«Je deed te veel.»

Beneden ging de bakker achteruit zijn winkel in. De kinderen op het plein liepen achteruit. De meeuw vloog achteruit. Het was kwart voor negen. Het ging de verkeerde kant op.

Koekoek zat op de wijzer en durfde niet te bewegen. Mus kwam naast hem zitten. Op de wijzer. «Je bent de enige die hem bewogen hebt,» zei ze. «De verkeerde kant op. Maar bewogen.»

7 Doorbraak

Uil had willen beslissen. Dat zag je. Hij ademde in.

Mus was sneller. Vier keer dit seizoen, zegt de kraai, en dit was de vierde.

«Koekoek,» zei ze. «Nog een keer. Precies zo. Maar de andere kant op. Spring.»

«Ik spring niet. Ik landde.»

«Land dan. Nog een keer. Naar de tien.»

En Koekoek deed het. Hij vloog op, een stukje, en landde, vierkant, te hard, op de kleine wijzer, van de andere kant, en de wijzer kraakte en schoof, over de negen heen, naar de tien.

En de klok sloeg. Tien keer. Over de stad.

Beneden ging de bakker verder met zijn deur. De kinderen gingen verder met hun spel. De meeuw landde. Het water ging verder. De oude man op de bolder zei tegen niemand dat de wind draaide. En Uil zei niets, want Mus had het al gezegd, en hij keek naar haar, en Koekoek keek naar Uil, en zag dat.

8 Nieuw evenwicht

's Nachts op de toren, onder de klok, die liep.

De winkels waren dicht geweest en het was druk geweest en er was eten geweest, en nu was het klaar. De maan stond bijna vol boven de stad, bijna, nog één nacht. De vogels zaten op de rand. Mus het hoogst.

«Hij loopt een uur voor,» zei Koekoek. «De klok. Ik heb hem te ver geduwd.»

«Ja,» zei Uil.

«Dan is het nu niet elf. Dan is het tien.»

«Voor de stad is het elf,» zei Uil. «Voor ons is het de maan.»

Koekoek knikte. Hij schoof naar Mus toe, zoals na elke correctie, ook al was dit geen correctie. Vink sliep al, met zijn kop naar het weer. Het was zaterdag geweest, en nu was het iets anders, en morgen was het zondag, en dan was er rust, en de maan was vol.

Zo eindigt het eerste seizoen, zegt de kraai. Niet waar het begon. Op dezelfde toren, met een klok die een uur voorloopt, en vier vogels die dat weten en er niets aan doen.

vorige · alle sprookjes